Tag Archives: Master Thesis

Neonatal pain : Can pain in neonates be detected by cerebral oxygenation and electrocerebral activity?






Although interest in neonatal pain has risen in recent years and more and more negative long
term consequences become known, the detection and quantification of neonatal pain still
difficult. In this study we tried to examine the efficacy of the lower… Continue reading

Posted in Thesis | Tagged | Leave a comment

Neonatal Care: Can pain in neonates be detected by cerebral oxygenation and electrocerebral activity






Abstract
Although interest in neonatal pain has risen in recent years and more and more negative long
term consequences become known, the detection and quantification of neonatal pain still
difficult. In this study we tried to examine the efficacy of … Continue reading






Posted in Thesis | Tagged | Leave a comment

Building an information product for cycle time analysis






Governmental regulations require from hospitals to comply with certain cycle times for patients. Measuring this cycle time and complying with this information request proves to be hard for certain hospitals. An in-consistent way of storing data and ad… Continue reading






Posted in Thesis | Tagged | Leave a comment

Evaluating the effectiveness of two Health Failure Mode and Effect Analysis methods






Purpose: The Health Failure Mode and Effect Analysis (HFMEA) is a commonly used method in healthcare to conduct a prospective risk analysis. Limitations of the HFMEA led to the development of several modified versions, including the One Hour PRA which… Continue reading






Posted in Thesis | Tagged | Leave a comment

Reducing lead time for acute MRI






Purpose: The purpose of this study is to increase the performance of the MRI modalities at the University Medical Center Groningen (UMCG) with respect to lead time reduction of acute patients with minimal impact on the elective capacity.
Methodology/… Continue reading






Posted in Thesis | Tagged | Leave a comment

één alarmnummer, één meldkamer






Momenteel heeft iedere locatie van het UMCG een eigen alarmnummer met de afhandeling hiervan. Er zal in de toekomst door alle locaties van het UMCG, locatie Hanzeplein, Revalidatiecentrum Beatrixoord en de Rijksuniversiteit locatie Antonius Deusinglaan gebruik gemaakt worden van één centraal alarmnummer, namelijk 22222. Dit nummer wordt in de huidige situatie alleen gebruikt bij de locatie Hanzeplein. Deze verandering betekent dat het aanbod van werk in de meldkamer Techniek, waar het alarmnummer binnenkomt, zal stijgen. Op het moment zijn er twee meldkamers bij locatie Hanzeplein, de meldkamer Techniek en de meldkamer Beveiliging.

Tijdens het onderzoek wordt er onderzocht of het centrale alarmnummer het best kan worden afgehandeld vanuit één centrale meldkamer. Dit zou betekenen dat de meldkamer Techniek en de meldkamer Beveiliging samengevoegd zullen worden. Er zijn voor deze samenvoeging een aantal randvoorwaarden opgesteld door de directie van de afdeling Bouw&Facilitair, waaronder de meldkamers vallen. Deze randvoorwaarden houden in dat er draagvlak en betrokkenheid van de medewerkers moet zijn, de consequenties van aanpassingen op personeel, bouwkundig en technisch gebied moeten aanvaardbaar zijn en het mag niet meer dan €50.000,- kosten.

De probleemstelling van dit onderzoek luidt: Kan het uniform alarmnummer 22222 van alle locaties van het UMCG het best afgehandeld worden vanuit een te vormen gemeenschappelijke meldkamer?

Door middel van deskresearch, kwantitatief en kwalitatief onderzoek wordt er antwoord gegeven op de deelvragen. Er zijn enquêtes gehouden bij alle medewerkers die werkzaam zijn bij de meldkamers, er zijn met enkele betrokkenen interviews gehouden over de huidige en nieuwe situatie en er zijn observaties gedaan in de meldkamers.

Deze scriptie is vertrouwelijk en kan ter inzage worden opgevraagd via afstuderen@umcg.nl Continue reading






Posted in Thesis | Tagged | Leave a comment

De zorg voor privacy






Introductie: Op 1 januari 2016 zal er een nieuwe Europese privacy wet van kracht worden, de Europese Privacy Verordening (EPV). Ook ziekenhuizen zullen zich hier aan moeten houden. Daarom wilde het UMCG weten wat er nodig is om deze wet op een goede manier te implementeren. De wens is dat dokters zich aan de wet gaan houden vanuit een intrinsieke motivatie. Om te kijken hoe de wet het best geïmplementeerd kan worden en hoe daar over gecommuniceerd moet worden, wordt in deze studie onderzocht wat het gedrag van dokters omtrent privacy is en of dat strookt met de huidige wetgeving. De onderzoeksvraag is als volgt: Houden artsen in het UMCG zich aan de privacy regels en wat zijn de motieven voor dit gedrag?
Methoden: Er is een kwalitatief design ge-bruikt. Er werden 13 semi-gestructureerde interviews gehouden met specialisten uit diverse disciplines. In alle interviews werd één gelijke casus voorgelegd die voor iedereen herkenbaar moest zijn. De interviews duurden 20-52 minuten, met een gemiddelde van 31 minuten. De interviews werden opgenomen, getranscribeerd en geanalyseerd. Voor de analyse werd het programma Atlas.ti gebruikt.
Resultaten: De meeste artsen gaven zelf aan geen regels te kennen die op de casus van toepassing waren of konden niet op de regels komen. De artsen in dit onderzoek lijken vooral te handelen volgens hun persoonlijke normen en de sociale normen die op hun afdeling heersen. De geïnter
iewde specialisten delen veel informatie met andere artsen, ook al heeft die andere arts op dat moment geen behandelrelatie met de patiënt waar de gedeelde informatie over gaat. Redenen hiervoor zijn het leereffect voor de andere arts en het positieve effect daarvan voor toekomstige patiënten. Alle geïnterviewde artsen denken dat andere artsen het vreemd vinden als zij de gevraagde informatie niet willen delen. Tenzij er bijvoorbeeld sprake is van persoonlijke betrokkenheid van de arts bij de patiënt.
Conclusie: De meeste geïnterviewde artsen houden zich niet aan de huidige privacy regels. De geïnterviewde artsen leken de regels over privacy niet goed te kennen. Sommige van hen waren wars van regels in het algemeen. De negatieve attitude van artsen ten opzichte van regels lijkt een van de belangrijke onderliggende factoren te zijn voor hun gedrag op dit gebied. Daarnaast lijken sociale normen en persoonlijke normen een belangrijkere rol te spelen dan regels in het gedrag van artsen.
Wanneer het UMCG de EPV wil implemente-ren en artsen deze wil laten volgen vanuit hun intrinsieke motivatie, is de aanbeveling de overeenkomsten tussen de waarden van artsen over privacy en de waarden van de EPV te benadrukken. Daarnaast zal het UMCG een start kunnen maken met het veranderen van de negatieve attitude van artsen ten opzichte van regel Continue reading






Posted in Thesis | Tagged | Leave a comment

Diversiteit binnen het verpleegkundig team op de Longafdeling






‘’Gettin’ good players is easy. Gettin’ ‘em to play together is the hard part’’
-Casey Stengel

Differences in personalities lead to above-average performances within a team. A team functions optimally when the combination of different personalities establish each other’s qualities easily. (Mensen in bedrijf, 2014). Through the use of personality tests, one can determine the qualities and strengths of each individual. An applied psychologist intends to optimize the workplace for employees, using proven scientific theories and models. This study shows research concerning different theories and models, in order to optimize team collaboration, and moreover, creating an even more successful team, useful for the team on the Longafdeling D3 at UMCG.

This is where the research starts. The main question of the research for the UMCG is: ‘Which personality test, that gives sufficient information about the diversity of the team, is suitable and could be used on the Longafdeling D3?’ Diversity consists of all the characteristics in which employees differ from one another. A part of these characteristics have a direct influence on how people interact with their work life, and when collaborating with their fellow employees. (Vries, Ven, Nuyens, Stark, Schie, Sloten. 2005). In order to work and collaborate in an inspiring manner, a diverse group must bundle its forces and use the diversities to a full extent. (Vroemen, 2009). By means of recognizing, knowing and using strengths of other team members in collaboration, greater performances can be reached. This research elaborates on the advantages and disadvantages of different personality tests, and consequently, the personality test which suits the team the best is chosen. The test that has been chosen is named: ‘the Orkestspel’ (De Hoop, Z.D.). This decision is based on literary research, expert interviews and participated observation. This particular test is chosen, because it contains all the characteristics that are suitable for the team to measure the present diversities.

For the optimal use of diversity, specific skills are needed amongst supervisors, as well as members of the team. (Van de Ven, 2011) That is the reason why the research continues after the personality test is chosen. In part two of this study, a suitable coaching method is shown, which is applicable in coherence with the test results .This coaching method is given in order to benefit from the diversity within the team. The most matching coaching method appears to be the STARR method, as this is already known amongst supervisors, and had the best fit with the learning needs/objectives in the field of coaching. In order to help the supervisors to improve their coaching skills, a training about different techniques for interviewing is given.

This is done in part three of the research, the part that elaborates on the subject practicing. In total, two trainings have been given. The first training entails how the supervisors should interpreted the test results. Firstly, it included how to confront the team with the test results in the most positive way possible. Secondly, what they could do with this to show the diversity within the team, so members of the team can actually make use of each other’s strengths. The second training is a training in which various tools for coaching are provided, in order to stimulate the individual development of the employees, using the test results, so that they learn to utilize the diversity of the team. Continue reading






Posted in Thesis | Tagged | Leave a comment

Een vindbaar Netwerk van Ambassadeurs; het vindbaar maken van het Netwerk van Ambassadeurs op het social intranet van het UMCG






In het onderzoek is de volgende vraag centraal gesteld:
“Hoe kunnen de ambassadeurs die hetzelfde belang hebben maar elkaar niet kennen, elkaar vinden op het (social) intranet?“

Het antwoord op de hoofdvraag komt neer op de volgende zaken:
Faciliteren in interactieve informatievoorziening:
-Het eenvoudig beschikbaar stellen van relevante informatie op één centrale plek,
-Stel eisen aan de kwaliteit van de informatievoorziening en -beheer. Zodat het volledig, juist en up-to-date is.
-Maak het mogelijk in zo weinig mogelijk klikken zoveel mogelijk te kunnen doen.
-Biedt de informatievoorziening tijds-, locatie- en apparaat onafhankelijk aan.

Motiveer en stimuleer de ambassadeurs:
-Motiveer en stimuleer het gedrag om ook buiten het eigen netwerk te zoeken naar ambassadeurs.
-Motiveer en stimuleer de ambassadeurs om naar andere ambassadeurs te willen en gaan zoeken.

Medische Zaken, Kwaliteit en Veiligheid – Ken de doelgroep:
-Zoek en communiceer de toegevoegde waarde van het gemeenschappelijke belang.
-Volg de doelgroep continu met betrekking tot de behoeften die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de werkzaamheden.
-Ken de ambassadeurs, communiceer online en offline duidelijk over (naar) het (doel van het) Netwerk van Ambassadeurs. Met de verwachtingen die hierbij horen. Continue reading






Posted in Thesis | Tagged | Leave a comment

Optimalisering informatievoorziening Klinische Genetica UMCG






De aanbevelingen die in dit adviesrapport zijn opgenomen zijn gebaseerd op de onderzoeksresultaten en conclusies van het communicatieonderzoek “Optimalisering informatievoorziening. De patiënt voorzien van belangrijke informatie”. Het onderzoek geeft inzicht in de ervaringen en meningen van de patiënten over de informatievoorziening van de afdeling Klinische Genetica. Hieruit blijkt dat de patiënten tevreden zijn over de informatievoorziening, maar dat lang niet iedereen alle informatie gelezen heeft. Ook weet niet iedereen wat er tijdens een eerste afspraak gaat gebeuren. Dit zouden deze patiënten wel willen weten. De informatie in de verschillende afspraakbrieven verschillen van elkaar en de informatiefolder bevat geen opvallende passages of attenties, wat ervoor gezorgd heeft dat niet iedereen op de hoogte is van de kosten. Geen enkele patiënt heeft de website van de afdeling Klinische Genetica geraadpleegd. De patiënten waren over het algemeen positief over een informatiescherm in de wachtkamer van de polikliniek. Zij willen hier algemene informatie op lezen over onder andere de kosten en wat men kan verwachten van een eerste afspraak bij de afdeling Klinische Genetica.
De aanbevelingen zijn opgesteld voor de volgende communicatiemiddelen van de Klinische Genetica:
1. Afspraakbrief
Het wordt geadviseerd om de inhoud van de drie soorten brieven (algemeen, onco en cardio) overeen te laten komen. In elke brief zouden de kosten terug moeten komen en een verwijzing naar de folder en website. Daarnaast kan er een extra kopje toegevoegd worden aan de brief over wat men kan verwachten van een eerste gesprek of onderzoek bij de Klinische Genetica.
2. Informatiefolder
Voor de folder is het verstandig om de belangrijke informatie opvallender te maken, waaronder de informatie over de kosten. Dit kan door middel van onderstrepingen en attenties. Daarnaast is het een advies om een ondertitel op de folder toe te voegen die de aandacht van de patiënt trekt. Ook kan de datum van uitgave toegevoegd worden.
3. Informatiescherm in de wachtkamer
De informatie die op het informatiescherm geplaatst kan worden is informatie over de kosten, wat men kan verwachten van een eerste afspraak en aanvullende algemene informatie over het UMCG.
De aanbevelingen sluiten op elkaar aan en zullen ervoor zorgen dat de patiënten snel(ler) in aanraking komen met informatie die voor hen van belang is voorafgaand aan een eerste afspraak. De informatie is bestemd voor alle patiënten die bij de afdeling terechtkomen.
De verwachting is dat de weerstanden voor dit advies niet groot zijn, aangezien het geen grootschalige veranderingen met zich meebrengt. Het communicatiebeleid van de Klinische Genetica wordt niet omgegooid. Het advies sluit aan op de missie en visie van het UMCG, omdat de patiënt centraal staat. Het advies is om de wijzigingen in juni door te voeren, nadat de medewerkers van de afdeling akkoord zijn gegaan. Na enkele maanden kan gekeken worden of de wijzigingen effect hebben gehad. Continue reading






Posted in Thesis | Tagged | Leave a comment

Conditions for multi-site team level improvement






“Teams are essential components in making change happen.” (Cawsey et al. 2012, p. 279).

Organizations that implement an organization-wide change, experience that the implementation effectiveness may differ per department, unit or team. This qualitative research offers insights in the team level factors that influence these differences in the implementation effectiveness of an incremental, planned change. The study builds strongly on the theory of organizational readiness for change by Weiner (2009). His original model was refined so that the determinants and outcomes at team level could be tested.
Insights are obtained by a case study in a single healthcare setting. Two years after the implementation of an organization-wide planned change, it turned out that the various teams adopt, adapt and accept the change to different extents.
The results of this research show that the readiness for change within a team, heavily influences the team’s experienced implementation effectiveness. Besides, team climate and structure highly influence the perception of the team about the change. Especially, the role of the team leader, the team vision, participative safety and input from the team appear to be important team related factors influencing the implementation effectiveness at team level. Continue reading






Posted in Thesis | Tagged | Leave a comment

De implementatie van de Projectenfabriek bij Genetica






Dit verslag richt zich op de implementatie van de projectenfabriek bij de afdeling Genetica van het UMCG. Het doel van het verslag is inzicht geven in het verloop van de verandering en leermomenten voor volgende veranderingen geven. Daarnaast kunnen medewerkers en managers die geïnteresseerd zijn in het implementeren van de projectenfabriek op hun eigen afdeling dit verslag gebruiken ter kennisname van de methode en leren van de implementatie bij Genetica.

Voor dit onderzoek ben ik aanwezig geweest bij vergaderingen, heb ik verschillende interne documenten gelezen en heb ik tien interviews gehouden met medewerkers die verschillende rollen vervullen binnen de afdeling.

De projectenfabriek is een methode om projecten sneller, gemakkelijker en met minder stress te laten verlopen. Er worden nieuwe rollen, vergaderingen en formulieren gebruikt om overzicht te creëren in welke projecten er lopen en hoe de voortgang van deze projecten is. Hierdoor zijn projecten beter te sturen en is het mogelijk om te bepalen welke projecten er gestart worden en welke niet. Bij Genetica is een sterk verkorte doorlooptijd van projecten te zien. Het is echter nog niet duidelijk hoeveel tijd er bespaard wordt. Medewerkers krijgen een gestructureerde manier om hun ideeën tot projecten te laten komen.

De implementatie van de projectenfabriek bij Genetica is goed verlopen. Het was voor medewerkers duidelijk wat het doel van de verandering was en dat deze verandering problemen zou oplossen die zij ervaarden. Daarnaast werd de verandering geleid door een veranderteam. Dit team heeft de verandering actief geleid en heeft voor ondersteuning en uitleg gezorgd voor de medewerkers die met de nieuwe methodiek gaan werken. Hierdoor was het voor medewerkers gemakkelijk om ervaring op te doen met de nieuwe methodiek en de nieuwe formulieren. Deze duidelijke verandernoodzaak en de rol die het veranderteam heeft genomen hebben sterk bijgedragen aan het succes van de verandering.

Praktische knelpunten tijdens de verandering waren de nieuwe formulieren en de plan van aanpak-sessies. De formulieren zijn kort en krachtig, waardoor medewerkers moesten wennen aan de nieuwe manier om projecten van te voren duidelijk vast te leggen. Door tijd en aandacht hieraan te besteden is dit goed verlopen. De plan van aanpak-sessies duren lang en zijn hierdoor lastig te plannen. Ze worden echter als erg zinvol ervaren voor de snelle start en voortgang van projecten.

Een leermoment is een uitgebreidere communicatie richting medewerkers. Medewerkers gaven aan graag op de hoogte gehouden te worden van de verandering. Daarbij is het goed dat medewerkers die uren moeten opvangen van hun collega’s die in projecten werken, weten waarom dit nodig is. Ook een duidelijkere aankondiging van de eerste projectleiderstraining was wenselijk geweest.
Een advies is om managers al tijd vrij te laten houden voordat de verandering begint, zodat ze de training kunnen volgen en zich kunnen verdiepen in de verandering en methodiek.

Voor de voortgang van de verandering is het goed om in de gaten te houden hoeveel tijd de nieuwe methode kost en wat het effect op de werkteams is. Verwacht wordt dat dezelfde medewerkers gewild zijn voor projecten en dat hun collega’s de uren moeten opvangen. Het is goed om ervoor te waken dat medewerkers en teams ook tijd hebben voor hun dagelijkse werk.
Aandacht voor resultaten van de projectenfabriek, zoals een kortere doorlooptijd dan voorheen, kan helpen de verandering goed te borgen en medewerkers het nut van de verandering te laten zien. Daarnaast kunnen reflectiemomenten voor een nog beter passende methodiek zorgen en kunnen hiermee eventuele knelpunten worden opgelost. Continue reading






Posted in Thesis | Tagged | Leave a comment

Openbaarheid van zaken; toekomstig privacybeleid personeelszaken UMCG i.v.m. EPV






Een onderzoek naar de wijze waarop het toekomstige privacybeleid, toegespitst op de afdeling Personeelszaken, van het UMCG kan worden ingericht, zodat deze compliant is aan de bepalingen van de Europese Privacy Verordening (EPV). Het onderzoek bevat een theoretische uiteenzetting van de wetgeving omtrent privacybeleid en het implementeren daarvan. Met de komst van de EPV is het vastleggen van de manier waarop met gegevensverwerking en privacy wordt omgegaan binnen organisaties in een privacybeleid verplicht gesteld. Daarnaast zijn er 7 respondenten van de afdeling P&O geïnterviewd om het privacybeleid te inventariseren. De conclusie van het praktijkonderzoek is de volgende: Op de afdeling P&O is er een UMCG-breed privacyreglement geldend. Het privacyreglement is opgesteld aan de hand van de bepalingen in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Weinig personeelsleden hebben weet van het reglement. Het privacyreglement wordt op dit moment ondergesneeuwd door andere documenten en werkzaamheden. Continue reading






Posted in Thesis | Tagged | Leave a comment

Elektronisch gegevensuitwisseling in beweging; mogelijke veranderingen in de zorg






Dit onderzoek is gericht op het verschaffen van inzicht in de mogelijke veranderingen in wetgeving ten gevolge van het aanhangig wetsvoorstel cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens. In het onderzoek wordt aan de hand van verschillende elektronische uitwisselingssystemen gekeken welke gevolgen de wet zal hebben op de huidige werkwijze van deze systemen. Uit het onderzoek is gebleken dat Palga, XDS en Zorgmail nog niet voldoen aan de eisen uit het nieuwe wetsvoorstel. In het onderzoek komt ook naar voren dat de onderzochte systemen soms niet voldoen aan reeds bestaande wetgeving. Continue reading






Posted in Thesis | Tagged | Leave a comment

Kwaliteitsregistraties: spanningsveld tussen inbreuk op persoonlijke levenssfeer en waarborg van zorgkwaliteit






Desbetreffend onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Privacywerkorganisatie van het UMCG, onderdeel van de UMC-staf Juridische Zaken. De Privacywerkorganisatie heeft tot taak om het UMCG compliant te laten handelen aan de Europese Privacyverordeni… Continue reading






Posted in Thesis | Tagged | Leave a comment

Heeft u dit gelezen? Een onderzoek naar de informatiebehoefte van zwangere vrouwen tijdens hun behandelingstaject






In dit onderzoek wordt antwoord gegeven op een vraagstuk van de afdeling Obstetrie & Gynaecologie. De vraag die bij de afdeling speelde, is of zwangeren op elk moment gedurende hun zwangerschap de informatie krijgen waar zij op dat moment behoefte aan hebben en of de vorm waarin ze die krijgen past bij hun wensen. Om hier een antwoord op te kunnen geven zijn semigestructureerde interviews gehouden met dertig zwangere vrouwen.
Het belangrijkste resultaat van dit onderzoek is dat er een groot verschil zit in de informatiebehoefte van vrouwen die voor het eerst zwanger zijn en vrouwen die al eerder zwanger waren. Waarbij vrouwen die voor het eerst zwanger zijn een grotere behoefte hebben aan informatie, dan vrouwen die al een eerdere zwangerschap hebben meegemaakt. Het is dan ook aan te raden om hier rekening mee te houden en te proberen om de informatie af te stemmen op de persoon.
Daarnaast kwam uit de interviews naar voren dat er veel onduidelijkheid heerst bij zwangeren wat hun afspraken betreft. Het is vaak onbekend wat een afspraak inhoudt en dat kan leiden tot verwarring, irritatie of onbegrip. Een simpele oplossing hiervoor is om in de afspraakbrief kort te vermelden wat de afspraak inhoudt.
Een opvallend resultaat is dat een overgrote meerderheid liever schriftelijke folders heeft dan digitale folders. In de huidige tijd en met de relatief jonge doelgroep was deze uitkomst niet tevoren verwacht. Het is belangrijk om naar deze wens van de doelgroep te luisteren en om voorlopig schriftelijke folders aan te blijven bieden. Wel is het advies om folders ook digitaal beschikbaar te maken, zodat de zwangere de mogelijkheid krijgt om te kiezen. Continue reading






Posted in Thesis | Tagged | Leave a comment

“Wel moeilijk om niets te zeggen hè?”; een onderzoek naar communicatie tussen artsen tijdens operaties






Inleiding
Communicatie is cruciaal in de operatiekamer, echter is er weinig wetenschappelijk onderzoek gedaan naar hoe communicatie bijdraagt aan leerprocessen van chirurgen. De meeste interactie in de operatiekamer is kort, maar af en toe worden er ook langere gesprekken gevoerd. Deze langere sequenties zullen in dit onderzoek een centrale rol spelen, waarbij wordt onderzocht hoe de langere sequenties ontstaan, wat er besproken wordt en hoe ze bijdragen aan leren tijdens de operatie. De hoofdvraag die in dit onderzoek centraal stond, is;
Hoe dragen langere sequenties tijdens operaties bij aan het (levenslange) leren van chirurgen?
Om een antwoord te kunnen vinden op deze brede vraag, is de hoofdvraag opgedeeld in een drietal deelvragen. Met behulp van de antwoorden op deze deelvragen zal er een antwoord op de hoofdvraag geformuleerd worden. De deelvragen die in dit onderzoek beantwoord zullen worden, zijn;
1.Wie initieert de dialoog?
2.Wie is leidend gedurende het gesprek?
3.Welke acties & taalhandelingen kunnen verbonden worden aan het gesprek?
4.Is er een verband te vinden tussen de mate van ervaring van de chirurg en de interactie tijdens de operatie?

Methode
In dit onderzoek is gewerkt aan de hand van de conversatie-analytische methode van Mazeland (2003). Er is een collectiestudie uitgevoerd waarbij drie operaties binnen de afdeling orthopedie volledig getranscribeerd en geanalyseerd zijn. De operaties zijn opgenomen met behulp van GoPro camera’s. Voor de opnames zijn drie camera’s gebruikt die de operatie van verschillende kanten hebben vastgelegd. De chirurg en de assistent droegen beiden een camera op hun hoofd en er werd een overzichtscamera geplaatst boven de operatietafel. De drie opnames werden samengevoegd in één film, waarna er een analyse gemaakt kon worden.

Resultaten en conclusie
Uit de resultaten bleek dat zowel de operateur als de assistent sequenties starten waar een langere dialoog uit ontstaat, maar dat de assistent of supervisor het vaakst de leidende rol heeft tijdens deze interacties. Bovendien bleek dat het aantal dialogen het hoogst is rondom de fasen waarin de prothese geplaatst wordt. In deze fasen is de complexiteit van de handelingen en het aandachtsniveau van de chirurg het hoogst. Het uitwisselen van informatie en het beantwoorden van verzoeken zijn in de langere sequenties de meest voorkomende communicatieve handelingen. Bovendien bleek er een verband te bestaan tussen het ervaringsniveau van de operateur en de communicatie met zijn assistent of supervisor tijdens de operatie. In de toekomst zal er meer onderzoek gedaan moeten worden om de kennis op dit gebied verder uit te kunnen breiden. Continue reading






Posted in Thesis | Tagged | Leave a comment

Kwalitaiteve studie naar percepties van voormalige patiënten omtrent hernieuwd contact in de Klinische Genetica






Door nieuwe technologische mogelijkheden gaan de ontwikkelingen in de DNA-diagnostiek zeer snel. Dat zorgt ervoor dat eerdere interpretaties van testresultaten kunnen veranderen. Soms leidt dat ertoe dat artsen besluiten hercontact op te nemen met voormalige patiënten. Aangezien hier tot op heden nog geen nationale en internationale richtlijnen voor zijn, hebben deze ontwikkelingen tot een discussie geleid binnen de Klinische Genetica rondom de vraag of hercontact als plicht moet worden gezien. Hercontact kan namelijk grote gevolgen hebben voor oud-patiënten en diens sociale omgeving (Otten et al., 2015). Binnen de cardiogenetica, een deelspecialisme van de Klinische Genetica in het UMCG, worden sinds kort nieuwe diagnostische richtlijnen gebruikt. Dit heeft er toe geleid dat bij ongeveer 280 oud-patiënten classificatiewijzigingen hebben plaatsgevonden voor veranderingen in genen betrokken bij erfelijke cardiomyopathie (hartspierziekte). Er is hercontact opgenomen met deze oud-patiënten door middel van een brief. Deze patiëntengroep is voor dit onderzoek benaderd om in kaart te brengen wat de percepties van voormalige patiënten zijn rondom hercontact vanuit de Klinische Genetica.
Er is met zes oud-patiënten een semigestructureerd diepte-interview afgenomen. Deze geïnterviewde patiënten hebben een herclassificatie gekregen waarbij een variatie in één van de ‘cardiomyopathie-genen’ eerst werd aangeduid als waarschijnlijk ziekteverwekker, maar door de classificatiewijziging is de betekenis van deze variatie minder duidelijk geworden. Er is bij de interviews geen volledige informatie saturatie bereikt. De interviews zijn afgenomen aan de hand van een individueel webcamgesprek of een telefonisch interview. Om het onderzoeksproces te structureren is de qualitative research cycle van Hutter en Hennink (2010) gehanteerd. Uiteindelijk zijn de meningen van de zes geïnterviewde oud-patiënten onderling vergeleken waarmee de verschillende percepties in kaart zijn gebracht.

Het opnemen van hernieuwd contact vanuit de Klinische Genetica na herziene genetische informatie is door de ogen van de geïnterviewde oud-patiënten gewenst. Zij zien hercontact niet als plicht maar wel als belangrijk. Het belang dat de geïnterviewde patiënten aan hercontact hechten is grotendeels gericht op familieleden. De huidige wijze voor het opnemen van hercontact, door middel van een brief, beschouwden zij als positief. De nieuwe informatie riep bij de geïnterviewden twee reacties op, enerzijds opluchting en aan de andere kant heeft het hercontact gezorgd voor nieuwe onzekerheden. Het begrip rondom de inhoud van de brief was niet op alle vlakken even groot. Met name de medische vaktermen en de onzekerheid van de informatie maakt het begrip moeilijk. Desondanks is het vertrouwen van de voormalige patiënten in de genetica en de counselors klinische genetica ook na hercontact nog groot. Daarbij nemen de patiënten een afwachtende houding aan ten opzichte van het hercontact.
Aanbevelingen voor de afdeling Klinisch Genetica zijn gericht op het verbeteren van het hercontactbeleid en de hercontact brief. Daarnaast wordt een suggestie gedaan voor vervolgonderzoek, gericht op een inventarisatie van visies en aanpak rondom hercontact door klinisch genetische centra in Nederland.

Sleutelwoorden: hercontact, herclassificaties, cardiogenetica, percepties, voormalige patiënten

Deze scriptie is vertrouwelijk en opvraagbaar via afstuderen@umcg.nl Continue reading






Posted in Thesis | Tagged | Leave a comment

Wat gebeurt er achter die deur? Management ruimtecapaciteit poli oost






Dit onderzoek is tot stand gekomen vanwege de vraag naar inzicht in polikliniek oost van het Beatrix
KinderZiekenhuis van het universitair medisch centrum Groningen. Polikliniek oost is een faciliteit met ruimten,
verpleegkundigen en middelen, ter ondersteuning voor de poliklinische zorg. Dit onderzoek gaat in op de
ruimtecapaciteit, omdat hier voor de opdrachtgever problemen zijn ontstaan. De werkwijze waarmee men in de
huidige situatie de ruimtecapaciteit toewijst aan de subspecialismen, laat deze ruimtecapaciteit namelijk niet
aansluiten op de te leveren hoeveelheid zorg. Met project poli-indeling op komst, zal de huidige beschikbare
ruimtecapaciteit ook niet altijd hetzelfde blijven. Er bestaan daarbij geen werkwijzen om de benodigde
ruimtecapaciteit van poli-oost te bepalen en ruimtecapaciteit optimaal toe te wijzen aan subspecialismen.
Voor het onderzoeken van dit probleem, zijn de volgende doel- en vraagstelling geformuleerd.
Doelstelling: ‘Het geven van een advies aan het Management Team van het Beatrix KinderZiekenhuis
over een werkwijze voor het bepalen van de benodigde ruimtecapaciteit van poli-oost en
het optimaal toewijzen van de ruimtecapaciteit aan subspecialismen.’
Vraagstelling: ‘Volgens welke werkwijze kan de benodigde ruimtecapaciteit van poli-oost worden bepaald
en kan ruimtecapaciteit optimaal worden toegewezen aan de subspecialismen, met
inachtneming van de te leveren zorg, andere gebruikersgroepen, bezettingsgraden en
productieweken?’
De vraagstelling is beantwoord met het zorglogistieke besturingsraamwerk en de formule voor de
bezettingsgraad als theoretisch kader. Tijdens de uitvoering van het onderzoek bleek dat het mogelijk was om
volgens twee werkwijzen de benodigde ruimtecapaciteit van poli-oost te kunnen bepalen en ruimtecapaciteit
optimaal toe te wijzen aan subspecialismen. Deze werkwijzen gaan als volgt:
De benodigde ruimtecapaciteit van poli-oost kan worden bepaald, door de benodigde ruimtecapaciteit van de
subspecialismen en andere gebruikersgroepen op te sommen. De benodigde ruimtecapaciteit van de
betreffende groepen kunnen worden berekend, door de verwachte zorg per groep te delen door de gewenste
bezettingsgraad. Dit kan worden berekend op basis van plaatsgevonden consulten uit XCare, de
verkoopbegroting en de basis- of wekelijkse ruimteverdelingen. Ook kan voor de gewenste bezettingsgraad een
eigen norm worden bepaald.
De toewijzing van aan subspecialismen kan worden gedaan vanuit de beschikbare of berekende benodigde
ruimtecapaciteit. De optimale toewijzing vindt plaats aan de hand van de berekende benodigde ruimtecapaciteit
per subspecialisme en andere gebruikersgroepen. Ook dient het te gaan volgens regels over beschikbare
apparatuur, spreiding, werk door verandering en ondersteuning door verpleegkundig consulten.
Om uit deze werkwijzen betrouwbare resultaten te krijgen, wordt het volgende aanbevolen:
Dataset XCare: Gebruik meer typen consulten, registreer omsteltijden, registreer de zorg die
nog niet in XCare geregistreerd wordt en registreer uniform.
Wekelijkse ruimteverdelingen: Plan met vermelding van het subspecialisme en programmeer in MS Excel.
Verkoopbegroting: Deel de verkoopbegroting met de gastspecialismen en betrek elkaar bij het
maken van de verkoopbegroting.
Ook wordt aanbevolen om te sturen op bezettingsgraden en om een norm hiervoor te stellen. Aan de afdeling
zorglogistiek wordt, voor de haalbaarheid van het zorglogistieke besturingsraamwerk, aanbevolen om de
bezettingsgraad mee te nemen en om de verkoopbegroting te gebruiken als input voor de groei en krimp van
de geleverde zorg. Continue reading






Posted in Thesis | Tagged | Leave a comment

Capaciteit op de poli Urologie in beeld






Urology lacks an understanding of supply and demand. In addition, urology is not able to schedule outpatient appointments within the passed standards. The objective of this study is to provide insight into the demand for care and the care itself. This study will provide recommendations concerning the optimal use of capacity, so that new patients can be treated within the passed standards and control patients can be treated within an acceptable time. The following research question is central: ‘What is the required capacity at the urology clinic so that the demand for care is performed within the passed standard?’.

In answering the research question, four methods were used: Informal interviews, observations, literature review and data analysis. The data that was used, comes from 2015. The results showed that the care is not adjusted with the demand for care. Oncology, functional urology, pediatric urology, andrology and endo-urology have capacity shortages of respectively 7, 0, 2, 2 and 3 consultation hours per week. Furthermore, it can be concluded that the consultation format is not adjusted to the demand for care. This results in a lot of extra work for the administrative staff. This study recommends using an overbooking model, so that the occupancy of the physician is increased, the access time is reduced, and ‘non-entrants’ can be effectively used. This allows the waiting time for the patient to increase by a factor of 3.5, the waiting time for the doctor to drop significantly and the chance of having to work overtime to decrease with an average of 30%. This study also outlines a situation where junior doctors do not carry out consultation hours. In this situation, doctors of oncology, functional urology, pediatric urology, andrology and endo-urology should carry out respectively 13, 2, 6, 5 and 5 more consultation hours per week to handle the demand for care within the passed standard.

In order to keep the access time constant, it is important to adjust the available capacity to the required capacity. For a decrease in access time, use could be made of the overbooking model by increasing the available capacity. Also, the adjustment between the consultation types and the need for care could be improved. Finally, in further research could be explored why the percentage of ‘non-entrants’ is too high. Continue reading






Posted in Thesis | Tagged | Leave a comment