Reumaatjes@work: promoting physical activity. The role of exercise barriers, self-worth, pain and fatigue

Samenvatting

Kinderen met Juveniele Idiopathische Artritis (JIA) worden op meerdere manieren door hun aandoening geraakt. De ziekte beïnvloedt zowel hun gezondheid, als de mogelijkheden om te participeren in gedrag dat de gezondheid bevordert. Het Beatrix Kinderziekenhuis te Groningen heeft een cognitief gedragsmatig bewegingsprogramma ontwikkeld genaamd Reumaatjes@work. Het interventieprogramma is gebaseerd op het Health Promotion Model van Pender en heeft als doel het activiteitenniveau van kinderen van 8 tot 12 jaar te verbeteren.
In de huidige studie is data van een pilot studie geanalyseerd. Verschillende variabelen die van invloed zouden kunnen zijn op het fysieke activiteitenniveau van een kind zijn onderzocht. De onafhankelijke variabelen in het onderzoek zijn exercise barriers, zelfwaardering, pijn en het energieniveau. Het effect van het interventieprogramma op de verschillende variabelen is bestudeerd. Hierbij is gebruik gemaakt van een interventiegroep en een controleconditie, waar kinderen at random aan werden toegewezen. Relaties tussen de verscheidene variabelen en fysieke activiteit zijn eveneens onderzocht. De analyses zijn uitgevoerd aan het begin en aan het eind van het interventie programma, dat 17 weken duurde. Gedurende het programma maakten de kinderen wekelijks een opdracht op het Internet. Daarnaast participeerden de kinderen vier keer in een groepssessie met hun ouders.
De resultaten wijzen in de richting van een positief effect van het interventieprogramma op fysieke activiteit. Positieve effecten op exercise barriers en pijn zijn eveneens gevonden.
Om te onderzoeken voor welke kinderen de interventie het meest effectief is, zijn hoge en lage groepen gemaakt voor iedere variabele. De groepen werden vervolgens vergeleken met betrekking tot de mate en richting van verandering van fysieke activiteit. De resultaten geven weer dat het interventieprogramma effectiever lijkt te zijn voor kinderen met een laag niveau van exercise barriers, een hoge zelfwaardering, een laag pijnniveau en een hoog energieniveau. De studie wijst verder in de richting van modererende effecten van exercise barriers, pijn en het energieniveau.
Om onderlinge relaties te bestuderen zijn tenslotte correlatie analyses uitgevoerd tijdens de eerste en tweede meting. De resultaten ondersteunen de wederzijdse relatie tussen zelfwaardering en fysieke activiteit in de interventiegroep, zoals opgesteld in een hypothese. Over het algemeen geven de resultaten aan dat er verschillende relaties bestaan tussen de variabelen binnen de interventiegroep en controlegroep. Concluderend, de onderlinge relaties tussen de variabelen lijken afhankelijk te zijn van de aanwezigheid van de interventie.

This entry was posted in Uncategorized and tagged . Bookmark the permalink.